Het meisje van de zee

    228

    Mijn broertje werd geboren op een dag zoals vandaag. Bitterkoud en grijs. Mijn vader kwam me halen bij mijn opa en oma, ik mocht achter op zijn fiets. Ik had een rood koffertje bij me. Wat had ik me verheugd op een broertje. “Dan heb je iemand om mee te spelen”, had mijn moeder beloofd. Dat liep al gauw net even anders. Want hij krijste harder dan een krolse kat en ik, die gehoopt had een soort real life babypop erbij te hebben, mocht eigenlijk niets met hem doen. Niet in bad doen, niet dragen, geen flesje geven.

    Ik ben nooit de liefste zus geweest. Verre van. En nog steeds zijn we een gek stel: mijn broertje en ik. Maar vandaag zijn we hier samen op het strandje. De kinderen zijn dolblij om elkaar weer te zien. Dat gebeurt eigenlijk te weinig, vanwege de afstand. Ik hoor ze als vogeltjes tjilpen op de achtergrond. De zon schijnt. Het lijkt wel lente.

    Draai je kin eens wat naar mij. Nee, niet zo. Zo.” We voelen ons allebei een beetje ongemakkelijk. Ik, in mijn rol als fotomodel. Hij, in de rol als fotograaf. Of moet ik zeggen míjn fotograaf? Fotograferen doet hij namelijk al zijn halve leven, net als tekenen en kunstwerken maken. Maar dat is toch iets anders dan die gekke, ietwat onwillige, nukkige zus op de foto vastleggen. “Trek eens niet zo veel rimpels”, commandeert hij.  “Tja, ik ben nu eenmaal een oud wijf aan het worden”, sputter ik tegen.

    Dat was ook waarom ik een nieuwe foto bij mijn voorwoord wilde en niet eentje van zeven jaar geleden. Avondenlang zocht ik in mijn fotoarchief naar een recente foto waar ik eens niet met mijn ogen dicht of als een malloot op stond. Een foto waar ik überhaupt alleen op stond, was niet te vinden. Al mijn hoop was gevestigd op mijn broertje, die nergens heen gaat zonder camera en dus toch wel een foto van mij alleen moest hebben? Niks. Nada. Nop. “Dan fotografeer ik je toch”, bood hij spontaan aan. En dus staan we hier samen op het strand, terwijl we ons beiden geen houding weten te geven. Alsof er zand in een machine zit. Ik kan niet lachen op commando en hij, die altijd de clown van de familie is, lijkt zijn grappen vergeten te zijn. “Denk maar aan pa”, roept hij aanmoedigend als een soort van wanhoopsdaad. Spontaan springen de tranen in mijn ogen. Dat juist hij nu over mijn vader moet beginnen, die alweer bijna zes jaar dood is. Hij, mijn kleine broertje, hoeft maar op de een of andere manier over hem te beginnen en hupla … Wat is dat toch? “Joris, waarom juist nu? Mijn make-up”, roep ik semi-verontwaardigd. Ternauwernood vinden we ergens nog een verdwaald, verfrommeld stukje keukenpapier waarmee we de ergste ravage wegwerken. “Je moet wel bij het water staan. Want water hoort bij jou”, hoor ik hem zeggen. “Je bent het meisje van de zee”, weerklinkt mijn vader als echo in zijn stem.

    Wat daarna gebeurde is toch een beetje magie én natuurlijk de hand van de meester. Want dat ik eigenlijk nog best heel fatsoenlijk op de foto sta, is een wonder (dank daarvoor broertje!). Maar bovenal: wat was het fijn dat wij met zijn tweeën daar – aan het water op een verdwaalde zondag – samen aan het werk waren. Dit is dus die verbondenheid waarover psycholoog Lidewy het heeft in het februarinummer van gezondNU. Appen, mailen of bellen haalt het niet bij gewoon samenzijn. Samenzijn, echt samenzijn, vormt de echte magie in een mensenleven.

    Gebke Verhoeven weet ondertussen het nodige over gezond leven in theorie (ze zit al twintig jaar in de gezondheidsjournalistiek), maar in de praktijk blijft ze zoeken naar haar eigen ideale gezonde koers. Soms bezwijkt ze daarbij keihard voor de verleidingen des levens (chocolade, die fijne bank, lekker eten).