Hoge duikplank

0

De telefoon gaat, het is mijn moeder. “Is iedereen gezond bij jullie?” Na mijn antwoord (“Ja hoor, iedereen is gezond!”), hangt ze op.  Meer hoeft ze niet te weten.

Bij de geboorte van mijn kinderen kwam bij de voordeur het geluk binnen en bij de achterdeur de angst. Geluk: die schaterlachende baby. Angst: het moment dat mijn kind zo benauwd was dat ik in de auto naar de eerste hulp racete.

Al die angst draait eigenlijk maar om één vraag: zijn ze gezond? (En dus: eten ze goed? Gaan ze op tijd naar bed? Waarom wéér een oorontsteking? Kan hij wel meekomen op school?) Allemaal kleine zorgen om de angst te bezweren.

In de krant gaat het over ouders van nu die veel te bezorgd zouden zijn. Maar is dat van nu? Ik herinner me nog mijn moeders blik toen ik met een bebloed hoofd thuiskwam omdat ik met losse handen fietste. Angst!  En mijn schoonmoeder begint nog te huilen als ze vertelt dat mijn man als peuter zo erg de mazelen had, dat hij uit pure zwakte van zijn potje rolde. Ook 43 jaar na dato is haar angst voelbaar.

Innig gearmd lopen geluk en angst elke dag mee in ons leven. De vraag is: wat doen we met al die zorgen om onze kinderen uit de wind te houden? Hoogleraar Jelle Jolles legt het uit in het openingsartikel:  laat ze springen, maar blijf erbij. Springen van de hoge duikplank en verkeerd terechtkomen, is waardevol omdat ze dan weten dat ze het een volgende keer anders moet doen. “Ouders moeten hun kind niet weerhouden om te springen, ze moeten er alleen voor zorgen dat die duikplank niet te hoog is.”

Goed voornemen voor de aanstaande vakantie: naar het zwembad met de jongens. “Willen jullie niet eens van de hoge duikplank?” En dan ga ik heel erg hard mijn mond houden.  

José Leeuwenkamp, hoofdredacteur gezondNU, eerder verschenen in gezondNU 6, 2012.