Ik zie je in de operatiekamer

    844
    Léonie Smit

    ‘Hallo!’ Enthousiast zwaaiend komt ze me tegemoet fietsen. ‘Hallo!’ roep ik en zwaai terug. We wonen nog niet zo heel lang in ons nieuwe dorp. Veel dorpsgenoten ken ik dan ook nog niet. Was het onze nieuwe oppas die mij zo enthousiast groetend voorbijfietste? Nee, ik denk het toch niet. Druk nadenkend wie die deze vrolijke dame kan zijn, fiets ik verder. ‘Was dat iemand van je ziekenhuis?’, vraagt mijn jongste dochter vanuit het fietszitje achterop. ‘Ik denk het lieverd.’ Iemand van het schoolplein of een collega van de OK is buiten de herkenbare context soms nog lastig te plaatsen. Misschien was het een patiënt?

    Sinds ik vlak bij het ziekenhuis woon waar ik werk, kan dat natuurlijk ook. Tijdens mijn vorige banen woonde ik gemiddeld vijftig kilometer verder dan het ziekenhuis. De kans om een patiënt tegen te komen was erg klein. Tegenwoordig is de kans op spontane ontmoetingen veel groter.

    En jawel, enkele weken later. Ik begroet, tussen de operaties door, alvast mijn volgende patiënten op de operatieafdeling. En ik herken haar nu ook. De jonge vrouw op de fiets. Gelukkig komt ze voor een onschuldig huidbultje. Iets wat we vaak ook onder lokale verdoving kunnen verwijderen. Helaas gaat dat dat bij haar niet. Haar angst voor naalden en alles wat daarbij komt kijken, is te groot. Tijdens haar polibezoek mag ik nog net naar het plekje op haar borst kijken, maar er aanzitten is eigenlijk geen optie. Een behandeling onder narcose lijkt me de enige optie. Wat een opgeluchte reactie als ik haar dit voorleg.

    En nu ligt ze hier in bed. In een flits fietst ze me weer enthousiast groetend voorbij. Nu groet ik haar. Ze heeft geen vragen meer. ‘Je bent zo aan de beurt’, vertel ik haar. ‘Ik zie je op de operatiekamer.’

    ‘Ik zag u laatst nog fietsen’, zegt ze als we de controlevragen voor de operatie nog een keer doornemen. ‘Jazeker’, antwoord ik haar. ‘Ik heb je toen toch wel dag gezegd?’, vraag ik. Ik weet nog dat ik destijds een beetje overrompeld werd door haar enthousiaste begroeting. ‘Ja hoor, u zwaaide van harte.’ ‘Anders moet je het zeggen hoor’, zegt de anesthesioloog lachend. ‘Want dat hoort wel zo.’ Vrolijk valt ze in slaap en merkt er niks van als ik het plekje weghaal waar ze zoveel last van heeft gehad.

    Een paar weken later loop ik met mijn andere dochter over de markt. ‘Hallo!’, hoor ik iemand enthousiast achter mij roepen. Ik kijk om en herken haar nu meteen. Ik groet haar vrolijk terug. Opnieuw weet ze me te verrassen met haar spontaniteit. ‘Wat ziet u er goed uit,’ zegt ze. ‘Nou, dankjewel. Jij ziet er ook erg goed uit’, zeg ik tegen haar.

    ‘Dat is een lieve mevrouw’, zegt mijn dochter. ‘Die ken je zeker uit het ziekenhuis?’ ‘Dat klopt, die ken ik inderdaad uit het ziekenhuis’. En we vervolgen onze boodschappentocht over de markt; beiden met een glimlach op ons gezicht.