Leuk, vakantie. Je moet er alleen wel eerst komen

    265

    “We gaan zo stoppen, nog tien minuten” – een opmerking die we allemaal, op weg naar de vakantiebestemming, weleens roepen. Bij de volgende afslag zouden we stoppen. Natuurlijk kwamen we direct na die belofte in een file terecht. En dat duurde, duurde en duurde. Kwartier, halfuur … Eerst moesten we nodig plassen. Toen heel nodig. Toen: niet te houden.

    Eindelijk! Een afslag. Ik koerste snel de auto de parkeerplaats op. Mijn man liep met onze jongste zoon naar de mannenwc’s en ik sjeesde naar de vrouwenwc’s. Toen ik terugliep zag ik alleen de oudste kinderen bij de auto staan. Plus twee politieagenten die heel boos naar mijn auto keken. “Wat was er aan de hand?”, vroeg ik in mijn beste Duits.

    “Ik was mijn kinderen kwijt, mijn man kwijt en de weg kwijt.
    Maar ik had wel alle boeken bij me. En de auto.”

    Hoe ik het in mijn hoofd haalde om op deze plek te staan – ze wezen heel driftig op een bord waarop stond dat hier alleen auto’s met aanhangers mochten staan. Natuurlijk zag ik dat bord nu pas. Maar hé, niets aan de hand meneer-de-politieagent-is-mijn-beste-vriend-en-ik-ben-de-beroerdste-niet. Ik zet de auto weg. Direct! Dus reed ik weg. “Zeg maar tegen papa dat ik de auto even verderop zet.”

    Had ik al gezegd dat het druk was op die parkeerplek? Nou, het was vakantie en het was superdruk. Nergens een lege plek. Dus zat er maar een ding op: doorrijden. In mijn achteruitkijkspiegel werden de kinderen steeds kleiner.

    Dit was niet goed. Ik stopte dus langs de linkerkant van de weg en stapte uit. En weer stonden die twee agenten naast me. Hoe ik zo dom kon zijn hier stil te staan – dat mócht niet! Ik moest doorrijden, volgende afslag eraf, even een rondje draaien en bladibla.

    Lang heb ik me afgevraagd waarom ik op dat moment niet zei: “Dikke doei.” Maar ik liet me overdonderen door twee agenten van 1.80 in een motorpak die heel boos en hard in het Duits tegen me praatten. Dus ik reed weg, de snelweg op. En toen raakte ik in paniek en de weg kwijt. Of misschien raakte ik wel eerst de weg kwijt en toen in paniek.

    In een heel armoedig wijkje na de eerste afslag belde ik mijn man. Erg jammer dat op de stoel naast me zijn telefoon afging. Nee! Nee! Nee! Ik was mijn kinderen kwijt, mijn man kwijt en de weg kwijt. Maar ik had wel alle boeken bij me. En de auto. En de tent, de paspoorten, ons koffiepotje en de slaapzakken. Kortsluiting in mijn hoofd.

    Mijn telefoon ging – een sms. “Mama, we wachten op je.” De zon brak door. “Waar zijn jullie?”, typte ik met trillende hand. Er werd een locatie doorgegeven. Een kwartier later draaide ik de parkeerplaats weer op.

    Vakantie … Eindelijk rust, ruimte en relaxen. Je moet er alleen wel eerst komen.

    José Leeuwenkamp
    Hoofdredacteur gezondNU

    In de zomer-editie van gezondNU onderzoeken we al het goede van het vakantiegevoel en het eilandeff ect. Waarom is afstand helend? Waarom zijn mensen op eilanden gezonder? En: hoe houd je dat eilandgevoel de rest van het jaar vast?