Liefde m/v

0

Ik voelde die middag heel veel liefde voor een vreemde man, weinig liefde voor mijn eigen man en de meeste liefde voor iemand die mij bijna doodsloeg.

Vooraf leek het leuk; de kinderen gingen met mijn man midgetgolfen. Ik ging boodschappen doen met de jongste in dat leuke, pittoreske winkeltje in het dorp. En dat zou lukken in mijn stuntelige, maar charmante Frans .

Vanaf het begin liep dit plan mis. Het regende, dus ik verregende op mijn bergschoenen tot een sneue toerist. De winkel was ineens onvindbaar. En omdat het slecht weer was, weigerde de jongste te lopen.

Een uur later sleurde ik zuchtend (was dit nu vakantie?) een volle tas en een kind de helling op. Maar hé, niet getreurd: daar stonden de anderen gezellig een balletje te slaan.

Ik naderde mijn zoon en stond links achter hem stil. Hij ging net een bal slaan. Maar, dat was gek, ik zag ineens geen bal, alleen gras. Ik hoorde een fluittoon. En wat was die natte plek op mijn hoofd?

Terwijl iedereen gezellig verder midgetgolfde, lag ik met een bloedende hoofdwond in het gras. Ik was geraakt door mijn bloedeigen zoon. In een voortreffelijke swing, dat dan wel weer.

“Ik ben geraakt”, schreeuwde ik. Verderop draaide mijn man zich sloom om – althans, zo leek het. Toen zag hij mij.

In plaats van Heel Erg Schrikken, haalde hij een pleister uit zijn rugzak. Een pleister? Tegen een gutsende hoofdwond? Moest ik hier mijn eigen redding gaan regelen? Toen pakte hij een zakdoek.

“Een zakdoek?”, tierde ik. “Regel liever een dokter!”

“Je moet ook nooit, echt nooit, op die plek achter iemand gaan staan als die aan het golfen is! Dat is héél dom!”

Ik was vol in mijn gezicht geraakt en nu ook nog vol in mijn hart.

Ik zette de kinderen in de auto. Ik dacht zelfs nog aan de boodschappen. Van omstanders kreeg ik het adres van ene dr. Herbert Mack in mijn handen geduwd.

“Ga je nu dood?”, vroeg de jongste. Voordat ik kon antwoorden, viel hij ontspannen in slaap.

“O la la”, zei dr. Mack een halfuur later. Om daarna met uiterste precisie een snee van vier centimeter te lijmen.

Ik hield van dr. Mack, met heel mijn hart. Mijn redder in nood. Mijn hoop in bange dagen. Hij gaf me eerst een spuit en toen ook nog zijn kaartje. Ik dacht: ik kan nooit meer van iemand anders houden dan van dr. Herbert. En ik wil niets te maken hebben met kinderen die me bijna doodslaan.

Toen ik terug liep naar de auto zag ik mijn zoon, de man van de bijna-doodslag. Hij las een stripje. En plots stroomde mijn hart over van liefde. Wat als hij zijn kleine broer had geslagen? Of een ander kind? Die zouden het niet overleefd hebben. Wat bofte ik met een kind als hij – geboren voor het geluk.

Terug in de tent ebde de liefde voor dr. Herbert snel weg. Ik voelde me dom. Wie ging nu op die plek staan? Die jongens hadden hun moeder wel kunnen verliezen. Wie vond mij ooit nog mooi? Mijn oog was zwart en zat op een spleetje na dicht. Ik zou voor altijd een pony moeten dragen vanwege mijn litteken.

Toen zei mijn man: “Volgend jaar gaan we naar een zonnig land.”

Dat hij met mij, type domme gans, lelijk litteken, eentje die altijd voor toestanden zorgt, nóg een keer op een vakantie wilde, was enorm troostend.

Ik probeerde te huilen, maar door mijn zwarte spleetoog kwam geen traan meer naar buiten.

“Ik was zo blij met je zakdoek”, zei ik. “Zonder die zakdoek had ik het niet gered.”

José Leeuwenkamp, hoofdredacteur gezondNU, eerder verschenen in gezondNU 12, 2011.