Vies hoofd, van buiten en binnen

    324

    “Wat is dit voor vieze plak in je haar?”
    “Gel.”
    “Gel? Het lijkt wel opgedroogd en vastgekoekt pannenkoekenbeslag.”
    “Ja, ik weet het. En ik weet ook dat jij dat ene, hoe heet dat ook alweer, onwijs belangrijk vindt.”
    “Je bedoelt je persoonlijke verzorging?”
    “Ja, dat. Maar het is zondag hè. En dan douch ik niet.”
    “Maar waarom doe je dan wel gel in je haar? Terwijl die van gisteren er nog in zat?”
    “Anders zit het raar.”
    “Ja, maar nu zie ik dit. Wacht, ik maak er een foto van. Je moet zelf zien hoe vies dit is.” Ik rommel in mijn tas en pak de telefoon. Ik maak een foto van de achterkant van zijn hoofd met die plakken gel. Heel, heel vies. Zelfs als je weet dat het ‘maar’ gel is. “Kijk, zo ziet het eruit. Vies toch?”
    “Mwah, beter dan raar haar.”

    Mijn moeder schreef vroeger het woord ‘vies’ in het stof op de boekenplank naast mijn hoofdkussen. Het was bedoeld als hint; als ik zou zien hoe diep het woord ‘vies’ in het stof gebeiteld stond, zou ik vanzelf wel een doekje pakken. Niet dus, ik wachtte net zolang tot er zoveel stof bijkwam dat het woord ‘vies’ was bedolven onder meer stof. Probleem opgelost.

    Wat ik zie in het felle licht, kan het daglicht niet verdragen

    Kriebels is het thema van deze editie. Toen we dat hier op de redactie verzonnen, was het nog hartje winter, maar we droomden vooruit. We voorspelden lentekriebels en zagen onszelf al het balkon oprennen om de vogels uit Afrika te verwelkomen terug in ons land.
    Die verwachtingen komen vandaag deels uit. Op het balkon schudt een duif zijn veren met de zoveelste tak in zijn snavel. Maar de voorjaarskriebels heb ik niet. De zon is zo fel dat alles in mijn leven ongenadig wordt uitgelicht. En ik kan overal wel het woord ‘vies’ bij schrijven. Ik zie vies haar, vieze nagels en vieze plakkerige handen. Mijn eigen hoofd heeft na de laatste griep nog steeds de kleur van een grijze dweil. Vies. Ik zie op het balkon alleen maar potten gevuld met dode planten en mos. Vies. Ik zie de bekleding van de bank scheuren. Vies.

    Dan draait de zon richting de binnenkant van mijn hoofd. En wat ik dan zie in het felle licht, kan het daglicht al helemaal niet verdragen. Onvoldoendes en zorgwekkende Cito-scores. Het half mislukte verjaardagsplan. De gesprekken met artsen, docenten en besturen. Waar te beginnen met stoffen? Hier kan geen broedende duif tegenop.

    Ik kan onder een deken gaan liggen en hopen dat alle viezigheid wordt bedolven onder meer stof. Maar dat doe je als puber, niet als volwassene. Dus ik doe de ramen open, gooi de kussens in de lucht en doe zelfs een korte broek aan (autch, die witte benen, v***).
    Ik pak een kind in de houdgreep en borstel de opgedroogde gel uit zijn haar. Het sneeuwt. “Iek, wat is dit vies!”, gil ik. “Lekker toch”, grijnst hij.
    Tot slot maak ik een foto van de duif die met het zoveelste takje in zijn snavel neerstrijkt op het balkon. Als hij schuin kijkt naar de boom waar zijn nest zit, kan ik hem wel opvreten. Het is voorjaar. En langzaam komen daar de kriebels.

    José Leeuwenkamp
    Hoofdredacteur gezondNU

    Delen