Of je het nu in je koffie giet, door je havermout roert of gewoon een koud glas bij de lunch drinkt: melk is voor veel Nederlanders een belangrijke bron van calcium. Dit mineraal is onmisbaar voor het behoud van sterke botten en tanden. Een veelgehoorde fabel is dat magere melk ‘waterig’ is en daardoor minder voedingsstoffen bevat. Tijd om dat fabeltje de wereld uit te helpen.
De grote calcium-check: de cijfers
Laten we naar de harde feiten kijken. Als we de hoeveelheid calcium per glas (150 ml) vergelijken, zien we iets opvallends:
| Soort melk (per glas) | Calcium | Calorieën |
|---|---|---|
| Magere melk | 191 mg | 53 kcal |
| Halfvolle melk | 183 mg | 69 kcal |
| Volle melk | 185 mg | 92 kcal |
Er is qua calcium dus vrijwel geen verschil tussen de drie varianten. Magere melk bevat per glas zelfs een fractie méér calcium dan volle melk, al is dit verschil in de praktijk te verwaarlozen.
Hoe kan het dat magere melk net zoveel calcium bevat?
Het geheim zit hem in hoe de melk is opgebouwd. Calcium bindt zich in melk namelijk aan de eiwitten en het water, niet aan het vet.
Wanneer de zuivelfabriek het vet uit de melk haalt om er magere of halfvolle melk van te maken, verdwijnt er dus geen grammetje calcium. Omdat het vet eruit is gefilterd, blijft er in verhouding juist iets meer vocht en eiwit (en dus calcium) over per 100 milliliter.
Let wel op de vitamine D-valkuil
Toch is er een belangrijke 'maar' als je kiest voor de magere variant. Je lichaam heeft vitamine D nodig om calcium goed vanuit je darmen te kunnen opnemen in je bloed.
Vitamine D is een zogeheten vetoplosbare vitamine. Omdat magere melk vrijwel geen vet meer bevat, is ook de van nature aanwezige vitamine D grotendeels verdwenen. Volle en halfvolle melk bevatten dit van nature nog wel, wat de opname van de calcium ten goede komt.