Het antwoord zit niet alleen in wat we lekker vinden. Je smaakvoorkeur ontstaat uit een mix van aanleg, gewenning en omgeving. Je wordt dus niet simpelweg geboren als zoetekauw of liefhebber van hartig.
De één proeft zoet anders dan de ander
Om te beginnen: we proeven niet allemaal precies hetzelfde. In je mond zitten smaakreceptoren die onder meer zoet, bitter en umami waarnemen. Die receptoren zijn niet bij iedereen identiek. Genetische verschillen kunnen daardoor invloed hebben op hoe sterk je bepaalde smaken ervaart.
Een overzichtsstudie van 103 onderzoeken laat zien dat genetische variaties verband kunnen houden met verschillen in smaakwaarneming en voedselvoorkeuren. De aanwijzingen zijn het sterkst voor bitter en zoet. Naar de invloed van genen op bijvoorbeeld zout en umami is minder onderzoek gedaan.
Toch betekent dat niet dat je DNA bepaalt of je automatisch naar de snoeppot grijpt. Het kan er wel voor zorgen dat hetzelfde eten bij jou anders binnenkomt. Een toetje dat voor de één heerlijk zoet is, kan voor een ander juist veel te zoet smaken.
Je leert wat je lekker vindt
Genen zijn dus maar een deel van het verhaal. Ook je omgeving speelt een belangrijke rol. Wat je lekker vindt, kun je namelijk voor een deel aanleren.
Je raakt gewend aan de smaken die je regelmatig eet en drinkt. Wie vaak zoete producten eet en drinkt, kan daardoor wennen aan een hogere mate van zoetheid. Frisdrank of een koekje dat voor iemand anders mierzoet is, voelt dan misschien heel normaal.
Dat je smaak niet volledig vastligt, blijkt ook uit onderzoek. In een studie kregen kinderen en jongvolwassenen gedurende acht dagen dranken met verschillende niveaus van zoet of zuur. De onderzoekers zagen dat herhaalde blootstelling invloed kon hebben op de voorkeur voor bepaalde smaaksterktes.
En dat werkt ook de andere kant op. Eet je een tijdje minder zoet, dan kan iets wat je eerst heel normaal vond ineens behoorlijk zoet smaken. Je smaakvoorkeur kan zich dus aanpassen aan wat je gewend bent.
Waarom gaat de één voor chips en de ander voor kaas?
Bij liefhebbers van hartig speelt onder meer umami een rol. Dat is de vijfde basissmaak: een volle, hartige smaak die je bijvoorbeeld herkent in bouillon, Parmezaanse kaas, rijpe tomaten, paddenstoelen en sojasaus. Umami ontstaat onder andere door glutamaat en bepaalde nucleotiden die van nature in voedingsmiddelen voorkomen.
Ook hierin kunnen mensen verschillen. Maar waarom de één bij een borrel meteen naar de kaasplank loopt en de ander naar de chips grijpt, valt niet met één smaakreceptor te verklaren. Geur, textuur en eerdere ervaringen doen bijvoorbeeld ook mee. Misschien ben je opgegroeid met bepaalde gerechten en smaken, of associeer je een bepaald hapje met gezellige avonden. Zelfs de knapperigheid van een chip kan onderdeel zijn van waarom je ervan geniet.
Kun je je smaak veranderen?
Ben je een echte zoetekauw, dan betekent dat dus niet dat je voor altijd een sterke voorkeur voor zoet zult houden. En ook als je standaard voor hartig kiest, kan je smaak veranderen.
Je smaak is een samenspel van aanleg en gewenning. Genetische verschillen kunnen bepalen hoe intens je bepaalde smaken ervaart, terwijl je eetpatroon, cultuur en eerdere ervaringen mede bepalen wat je vervolgens lekker vindt. Dat verklaart waarom twee mensen aan dezelfde tafel soms compleet verschillend reageren op hetzelfde bord. De één proeft in een stukje extra pure chocolade vooral de bittere tonen, terwijl de ander juist geniet van de subtiele zoetheid.
We eten dus niet alleen wat we lekker vinden. Wat we lekker vinden, wordt óók gevormd door de manier waarop we proeven en waaraan we gewend zijn.